Nieuwsbrief Progressiegericht Werken 875

Als je ziet dat een grote man een klein kind schopt, voel je waarschijnlijk direct: ‘Dit is fout.’ Je hoeft er niet over na te denken, je morele oordeel is er direct. Psychologen hebben verschillende theorieën over de oorsprong van die morele oordelen. Theriault (2023) beschrijft in dit hoofdstuk hoe ons voorspellende brein en de theorie van geconstrueerde emoties een biologische en sociale verklaring bieden voor onze morele motivatie en normatieve oordelen.
Een wat minder bekende studie uit 2008 van A. David Nussbaum en Carol Dweck. legt een interessant groeimindset-mechanisme bloot. In het onderzoek slaan de auteurs een brug tussen Dwecks groeimindsettheorie en de sociale vergelijkingstheorie van Leon Festinger.
Cortisol is een energiebooster en is niet zozeer een stresshormoon. In het boek sevenandahalf lessons about the brain legt Lisa Feldman-Barrett uit dat het aanmaken van cortisol een manier is van je brein om snel energie te laten produceren.
Een lege gang op MIT, ’s avonds laat. Op een schoolbord staat een wiskundig probleem dat een professor als uitdaging heeft achtergelaten voor zijn beste studenten. Een schoonmaker stopt met dweilen, pakt een krijtje, en lost het probleem op. Niet na weken studeren. Niet na een gespecialiseerde opleiding. Hij kijkt, hij ziet het, hij schrijft het antwoord op. Alsof het altijd al in hem zat. Het is de beroemdste scène uit Good Will Hunting, en het is een van de meest geliefde films van de afgelopen dertig jaar. We vinden het verhaal ontroerend. We gunnen Will zijn doorbraak. We zijn gefascineerd door zijn genialiteit. Maar wat de film zo aantrekkelijk maakt, is precies wat er niet klopt: in de echte wereld lost niemand complexe wiskundige problemen op zonder jarenlange training. De film schrapt het pad en houdt alleen het eindpunt over, en noemt dat “genie.” We herkennen allemaal dat het onrealistisch is zodra we erover nadenken. Toch vinden we het een mooi verhaal. Dat zegt iets over hoe graag we excelleren zien als iets wat iemand is, in plaats van iets wat iemand doet.
Stel, je wilt iets belangrijks verbeteren. Je werksituatie, je team, de organisatie waarvoor je werkt, of de samenleving. Wat is dan de eerste vraag die je jezelf stelt? Voor veel mensen is dat: hoe zou de ideale situatie eruitzien? Pas als je weet waar je naartoe wilt, kun je immers bepalen welke stappen je moet zetten. Deze redenering klinkt logisch en is terug te vinden in strategische planning, in missie- en visietrajecten, in het werken met Ist-Soll-analyses en met stippen aan de horizon. Herken je die werkwijze? Vind je haar overtuigend? Er zijn goede redenen om te concluderen dat deze werkwijze die we ideaaldenken zouden kunnen noemen onverstandig is. De Amerikaanse filosofe Elizabeth Anderson laat overtuigend zien waarom.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten